Sommige dranken zijn uitgevonden. De interessantste zijn ontsnapt. Wie de stamboom van het Europese aperitief natrekt, ontdekt een patroon dat bijna een natuurwet is: elk verbod baart een drank, en de nieuwe drank wordt groter dan de oude.
Neem de pastis. In 1915 verbood Frankrijk absint: te sterk, te groen, te bohemien, met de Eerste Wereldoorlog als morele dekmantel. Zeventien jaar lang zat een natie van anijsdrinkers droog, tot Paul Ricard in 1932 een anijsdrank zonder alsem op de markt bracht en er een levenshouding bij verkocht: le vrai pastis de Marseille. Het Vichy-regime verbood de pastis in 1940 opnieuw, na de bevrijding kwam hij terug als volksheld, en toen de staat in 1951 reclame voor anijsdranken verbood, antwoordde concurrent Pernod door zijn drank simpelweg 51 te noemen en Ricard door geen drank meer te adverteren maar asbakken, karaffen en petanqueballen. Heel Frankrijk stond vol Ricard zonder dat er één fles in beeld kwam. Het reclameverbod werd de beste campagne die het merk ooit had.
Het patroon is ouder dan Frankrijk. De Spaanse vermut dankt zijn bodegacultuur deels aan het feit dat het vat goedkoper was dan de fles en de wet op het vat soepeler. De porthandel explodeerde in de achttiende eeuw omdat Engeland zijn handel met Frankrijk blokkeerde en de Engelsen hun wijn ergens anders moesten halen: zonder die handelsoorlog geen lodges in Gaia, geen demarcatie van 1756, geen portonico. En zelfs de Marokkaanse muntthee, het alcoholvrije kroonjuweel van APERO, ontstond door een geblokkeerde markt: Britse handelaren die hun Chinese gunpowder-thee tijdens de Krimoorlog niet in de Oostzee kwijt konden en uitweken naar Marokkaanse havens.
De les voor iedereen die met merken, markten of festivals werkt: schaarste en restricties zijn geen rem op cultuur, ze zijn de drukcabine waarin cultuur ontstaat. Een drank die alles mag, wordt zelden interessant. Een drank die ergens omheen moest, heeft per definitie een verhaal.
En verhalen, daar drinkt een mens uiteindelijk op.