Bij APÉRO Culture onderzoeken we dat uur van drie kanten: wat er wordt ingeschonken en gegeten, wat het met je doet, en wie er aanschuift. We bekronen het onderzoek met een echt festival. Lees de verhalen in de reader en proef de conclusies op het APÉRO festival.
Ergens tussen de middag en de avond begint in heel Europa de apero. In Milaan heet hij aperitivo en is hij theater: de bar als podium, de olijven als entreebewijs. In Marseille heet het apéro en is het een grens: aan de ene kant de dag, aan de andere kant het leven. In Barcelona is het een werkwoord, op Lesbos een wonder van anijs en water, in Porto een geheim dat drie eeuwen thuisbleef en in Marrakech een ceremonie waar geen druppel alcohol aan te pas komt.
APÉRO duikt in die cultuur, in het glas én aan de tafel. Want die twee zijn niet te scheiden: vertel me wat er in het glas zit en wie er aanschuift, en ik vertel je hoe een land over tijd, genot en gezelschap denkt. We verzamelen de geschiedenis, de rituelen, de makers en de anekdotes. Zes longreads staan online, de artikelen staan in drie edities klaar en er is een leesapp. Een podcast is onze ambitie voor later.
Milaan, het uur van de bella figura
Atay, van dertig centimeter hoog
Eerst schenken, dan gooienNederland kent de borrel, maar de borrel heeft een eindtijd en staat in de agenda. De apero is het omgekeerde: hij vervangt de agenda. Het moment tussen middag en avond is bij ons de file, de inbox, de haast. Elders is het het beste deel van de dag, en het duurt zo lang als het gesprek.
En het moment is goed gekozen. Een generatie die bewuster drinkt, zoekt niet minder ritueel maar méér: in Madrid en Barcelona staan de bodega's van opa alweer vol dertigers. Wat zij daar herontdekten, zetten wij hier op tafel.
Het spoor begint bij de Romeinen en eindigt in Utrecht. Onderweg groeide één inzicht: de apero is geen Europese traditie die de wereld over ging, maar een menselijke reflex die in Europa toevallig een naam kreeg. En dat spoor is nooit alleen drank. Er staat altijd een bord naast, er zit altijd een lichaam achter en er schuift altijd iemand aan.
Vóór het banket komt de gustatio: eieren, olijven, schelpdieren, en daarbij een beker mulsum, wijn met honing. Het woord aperitivus is dan al een medische term: middelen die de eetlust openen. Eten, drinken en lichaam zitten vanaf dag één in hetzelfde ritueel.
Op de berg Athos brengen monniken hun druivendistillaat tsipouro op smaak met anijs. De kiem van ouzo, arak en alles wat later melkwit zal uitslaan.
Bij Wynand Fockink gaat de jenever in een tulpglas dat zo vol wordt geschonken dat je de eerste slok buigend moet nemen. Het lokaal is klein, dus je staat, en wie staat raakt vanzelf in gesprek.
De markies van Pombal bakent de Douro af met 335 granieten zuilen: de oudste gereguleerde wijnstreek ter wereld. Witte port met tonic wordt later het best bewaarde geheim van de stad.
Antonio Benedetto Carpano mengt moscatowijn met dertig botanicals en noemt het vermout. Het moderne aperitief heeft een geboortejaar en een adres.
Het verhaal wil dat een plak ham het glas afdekte tegen stof en vliegen. Wat vaststaat: in Spanje komt een glas sindsdien nooit meer alleen, en wie deelt, blijft langer aan tafel.
Joseph Dubonnet zoekt een manier om soldaten hun bittere malariamedicijn kinine te laten slikken en verpakt het in zoete wijn. Het medicijn werd overbodig. Het glas bleef.
Na de Griekse onafhankelijkheid opent in Tyrnavos de eerste echte ouzo-distilleerderij. Bij het glas hoort vanaf het begin een ongeschreven wet: nooit alleen, nooit snel, nooit zonder een bord erbij.
De rode bitter van Milaan ontmoet de vermout van Turijn in één glas. Met soda wordt het de Americano, het lievelingsdrankje van een continent.
Britse handelaren kunnen hun Chinese gunpowder-thee tijdens de Krimoorlog niet kwijt en wijken uit naar Marokkaanse havens. Binnen twee generaties is atay een nationale identiteit, zonder druppel alcohol.
Tientallen makers maken van dit Catalaanse stadje de hoofdstad van de vermut, en van de zondagmiddag een vast familiemoment. Niet de drank maar het uur wordt het ritueel.
Graaf Camillo Negroni laat de soda uit zijn Americano vervangen door gin. Datzelfde jaar debuteert in Padua een lichte oranje bitter: Aperol.
Paul Ricard vult het gat dat het absintverbod van 1915 sloeg en verkoopt geen drank maar een levenshouding: le vrai pastis de Marseille. Erbij horen schaduw, een bord olijven en een partij pétanque.
Wat begon als Oostenrijks spuitwater bij te sterke wijn wordt de drank die vijftig jaar later de wereld verovert, geschonken naast de cicchetti van de bacari.
Studenten rekken het aperitivo-buffet op tot avondeten: één drankje, onbeperkt bord. Grootmoeders vervloeken het woord. De tafel wint.
Een nieuwe generatie kust de vermut van opa wakker, precies om wat eromheen hangt: het vat, de sifón, de olijven, de zondag. Het bewijs dat een ritueel niet sterft maar wacht.
Het onderzoek mondt uit in een festival: zes werelden, zes bars. Eerst begrijpen, dan vieren.
In MMXXVII vieren we de conclusie in Utrecht. Zes werelden worden zes bars, elk met een eigen ritueel, een eigen signature serve en een eigen bord ernaast. Elke wereld verdiende zijn plek op vier punten: een rijk ritueel, een eigen gezicht, toegankelijk voor een Nederlands publiek, en een tafel met een verhaal dat je wil doorvertellen. Het glas, het bord en het gebaar, alle drie.