APÉRO is een onderzoek naar de aperocultuur van Europa, dat uitmondt in een festival. Dit is het verhaal.
Ergens tussen de middag en de avond begint in heel Europa de apero. In Milaan heet hij aperitivo en is hij theater: de bar als podium, de olijven als entreebewijs. In Marseille heet het apéro en is het een grens: aan de ene kant de dag, aan de andere kant het leven. In Barcelona is het een werkwoord, op Lesbos een wonder van anijs en water, in Porto een geheim dat drie eeuwen thuisbleef en in Marrakech een ceremonie waar geen druppel alcohol aan te pas komt.
APÉRO duikt in die cultuur, op drank- en sociaal gebied tegelijk. Want die twee zijn niet te scheiden: vertel me wat er in het glas zit en wie er aanschuift, en ik vertel je hoe een land over tijd, genot en gezelschap denkt. We verzamelen de geschiedenis, de rituelen, de makers en de anekdotes, en delen ze in longreads, een magazine, een blog en straks een podcast. Verdieping en mooie momenten, dat is de hele formule.
Nederland kent de borrel, maar de borrel heeft een eindtijd en staat in de agenda. De apero is het omgekeerde: hij vervangt de agenda. Het moment tussen middag en avond is bij ons de file, de inbox, de haast. Elders is het het beste deel van de dag, en het duurt zo lang als het gesprek.
En de tijd is er rijp voor. Een generatie die bewuster drinkt, zoekt niet minder ritueel maar méér: overal in Europa worden oude aperitiefculturen herontdekt door dertigers die langzaamheid als luxe ontdekken. Wat zij in de bodega van opa vonden, willen wij hier op tafel zetten.
Het spoor begint bij de Romeinen en eindigt in Utrecht. Onderweg groeide één inzicht: de apero is geen Europese traditie die de wereld over ging, maar een menselijke reflex die in Europa toevallig een naam kreeg.
Vóór het banket schenken de Romeinen kruidenwijn met honing bij de gustatio. Het woord aperitivus is dan al een medische term: middelen die de eetlust openen.
Op de berg Athos brengen monniken hun druivendistillaat tsipouro op smaak met anijs. De kiem van ouzo, arak en alles wat later melkwit zal uitslaan.
Antonio Benedetto Carpano mengt moscatowijn met dertig botanicals en noemt het vermout. Het moderne aperitief heeft een geboortejaar en een adres.
De markies van Pombal bakent de Douro af met 335 granieten zuilen: de oudste gereguleerde wijnstreek ter wereld. Witte port met tonic wordt later het best bewaarde geheim van de stad.
Na de Griekse onafhankelijkheid opent in Tyrnavos de eerste echte ouzo-distilleerderij. Op Lesbos volgen er tientallen; het eiland leeft tot vandaag van de anijs.
De rode bitter van Milaan ontmoet de vermout van Turijn in één glas. Met soda wordt het de Americano, het lievelingsdrankje van een continent.
Britse handelaren kunnen hun Chinese gunpowder-thee tijdens de Krimoorlog niet kwijt en wijken uit naar Marokkaanse havens. Binnen twee generaties is atay een nationale identiteit.
Graaf Camillo Negroni laat de soda uit zijn Americano vervangen door gin. Datzelfde jaar debuteert in Padua een lichte oranje bitter: Aperol.
Paul Ricard vult het gat dat het absintverbod van 1915 sloeg en verkoopt geen drank maar een levenshouding: le vrai pastis de Marseille.
Wat begon als Oostenrijks spuitwater bij te sterke wijn wordt de drank die vijftig jaar later de wereld verovert.
Een nieuwe generatie kust de vermut van opa wakker. Het bewijs dat een ritueel niet sterft maar wacht.
Het onderzoek mondt uit in een festival: zes werelden, zes bars, één lange tafel. Eerst begrijpen, dan vieren.
Als het onderzoek af is, vieren we de conclusie zoals het hoort. Zes werelden worden zes bars, elk met een eigen ritueel, een eigen verhaal en een eigen signature serve, rond één lange tafel die de hele middag en avond gedekt blijft. Gekozen op vier criteria: de rijkdom van het ritueel, het onderscheidend karakter, de toegankelijkheid voor een Nederlands publiek en een drank met een verhaal dat je wil doorvertellen.