Opinie

Nederland heeft een borrel, maar geen aperitief. Of toch wel?

Laten we eerlijk zijn over onszelf. Nederland kent het woord borrel, en op papier lijkt dat op een aperitief: einde werkdag, een drankje, iets hartigs erbij. Maar wie de zes werelden van APERO naast de Nederlandse vrijdagmiddagborrel legt, ziet het verschil meteen. De borrel is een sociale afspraak, het aperitief is een levenshouding. De borrel heeft een eindtijd, het aperitief heeft een richting: de tafel. De borrel staat in de agenda, het aperitief vervangt de agenda.

Toch is het Nederlandse fundament er wel degelijk. We hadden ooit een eigen aperitiefcultuur van wereldformaat: de jenever, geschonken in een tulpglas dat zo vol werd gegoten dat je de eerste slok buigend moest nemen, het beroemde kopstootje ernaast, de bittergarnituur op de leestafel. Het bruine café was ons antwoord op de bodega en de ouzeri, en het bitterballetje is, als je er even afstand van neemt, een volwaardige meze. Wat we kwijtraakten is niet de vorm maar het tempo. De borrel werd een netwerkmoment, de vrijmibo een verplichting met bier, en het moment tussen middag en avond werd de file.

Interessant genoeg wijst alles erop dat Nederland er klaar voor is om dat uur terug te pakken. De terrascultuur is er. De spritz heeft de massa al overtuigd dat een bitter drankje om zes uur normaal is. De generatie onder de veertig drinkt bewuster en zoekt naar precies wat het aperitief biedt: een ritueel met inhoud in plaats van volume. En de Nederlandse eetcultuur, lang het zwakke punt, is volwassen genoeg geworden om het hapje serieus te nemen.

Wat ontbreekt is het verhaal, en dat is precies waarom APERO bestaat. Niet om Nederland te leren drinken, dat kunnen we al. Om Nederland te leren openen: de avond, het gesprek, de tafel. De Italianen hebben er honderdvijftig jaar over gedaan. Wij hebben het voordeel dat we mogen afkijken bij de besten.