Het loon werd in de kroeg betaald
Over jenever, veenbazen en de wet van 1881 die de Nederlandse borrel een ander gezicht gaf
Op zaterdagavond, in de negentiende eeuw, kreeg een Nederlandse arbeider zijn loon vaak uitbetaald in de kroeg. In de Veenkoloniën was de veenbaas soms zelf de kroeghouder. Sommige arbeiders kregen op zaterdag niets meer uit, omdat ze het de hele week al bij hem hadden verdronken. Andere ploegbazen lieten hun mannen gewoon lang wachten in de herberg, tot ze gingen bestellen.
Het drankgebruik per inwoner steeg in die jaren hard: van zo'n vijf liter per jaar in 1847 naar negen liter in 1874. Iedereen mocht sterke drank verkopen, en zo'n 45.000 mensen deden dat ook: schoenmakers, kruideniers, wasvrouwen, soms een wethouder of een schoolmeester.
Op 1 november 1881 ging de Drankwet in. Wie jenever wilde schenken, had voortaan een vergunning nodig, en een gemeente mocht er maar een beperkt aantal uitgeven. Zo'n 12.000 schenkplekken moesten dicht. Dronken mensen mochten niet meer worden bediend, kinderen onder de zestien niet zonder volwassene. En het uitbetalen van lonen in de kroeg werd verboden.
In het proeflokaal van Wynand Fockink in Amsterdam, sinds de late zeventiende eeuw, wordt de jenever nog altijd tot de rand geschonken. De eerste slok neem je buigend, zonder handen.
De middellange versie vertelt het hele verhaal, met de tafel, de mensen en de details die hier ontbreken. Ongeveer 3 minuten.
Lees het hele verhaalHet beeld is bekend genoeg om een cliché te zijn: de man die op zaterdagavond zijn loon krijgt in de kroeg, en het daar ook weer uitgeeft. Het bijzondere is dat het geen cliché was. Het was een systeem.
Het loonkantoor
In de negentiende eeuw werden arbeiders vaak in de kroeg aangenomen en in de kroeg betaald. Er was geen kantoor, geen bank, en een herberg had een tafel, een lamp en iets te drinken. Dat lag voor de hand.
Wat er vervolgens gebeurde, lag ook voor de hand. In de Veenkoloniën was de veenbaas soms tegelijk de kroeghouder. Hij liet zijn mannen de hele week op de lat drinken, en als het zaterdag was, viel er weinig meer uit te betalen. Ploegbazen, die het loon voor een hele ploeg ontvingen en verdeelden, lieten hun mannen soms lang wachten in de herberg. Wie lang wacht in een herberg, gaat bestellen. Een deel van het loon bleef zo aan de tap hangen voordat het ooit een keukentafel zag.
Onder het werk werd ook gedronken. Veenbazen gaven jenever uit tijdens zwaar werk, soms een hele fles. En bij het uitbetalen op zaterdagavond gaven veel werkgevers er een romer vol bij, als toegift. Het was een beloning die direct terugvloeide naar wie hem gaf.
Iedereen schonk
Wie in die jaren jenever wilde verkopen, kon dat gewoon doen. Er was geen vergunning nodig. Zo'n 45.000 mensen maakten daar gebruik van, en velen deden het ernaast: de schoenmaker, de portier, de kruidenier, de wasvrouw. Soms ook een wethouder of een schoolmeester. Jenever was een bijverdienste, en de huiskamer was een schenklokaal.
Het drankgebruik steeg. Rond 1847 lag het nog op zo'n vijf liter per inwoner per jaar. In 1874 was het negen. Tegenstanders van de drank hadden zich al in 1842 georganiseerd, herkenbaar aan een blauwe knoop op de revers. Ze kregen gaandeweg gelijk van de politiek.
De wet van 1881
Op 1 november 1881 trad de Drankwet in werking, voluit de Wet tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap. Wie sterke drank wilde schenken, moest voortaan een vergunning aanvragen bij de gemeente. Het aantal vergunningen was gekoppeld aan het aantal inwoners. In de kleinste gemeenten mocht er hooguit één per 250 inwoners zijn, in de grootste één per 500.
Er kwamen er ongeveer 33.000. Zo'n 12.000 schenkplekken moesten dicht.
De wet regelde meer. Iemand die zichtbaar dronken was, mocht niet meer worden bediend. Kinderen onder de zestien mochten alleen onder begeleiding van een volwassene binnen. En het uitbetalen van lonen in de kroeg werd verboden.
Die laatste regel is makkelijk over het hoofd te zien, maar hij zegt het meest. De wetgever zag de kroeg niet alleen als plek waar werd gedronken. Hij zag hem als plek waar geld verdween voordat het een gezin bereikte.
Wie er dronk wat
Jenever was de drank van het volk. Wie het zich kon veroorloven, dronk liever wijn, en de afstand tussen die twee glazen was ook een afstand tussen standen. Het bruine café was de plek van de arbeider en de ambachtsman. De sociëteit, met zijn leestafel en zijn kranten, was van de burgerij.
Tussen die twee lag een kleinere wereld: het proeflokaal. Nederlandse distilleerderijen hadden vaak een lokaal ernaast waar je hun jenever en likeuren kon proeven en kopen. Bij Wynand Fockink in Amsterdam, begonnen rond 1679, is dat lokaal er nog. Het is klein. Je staat. De jenever gaat tot aan de rand van het tulpglas, en daarom neem je de eerste slok voorovergebogen, met alleen je lippen. Pas daarna pak je het glas op.
Dat gebaar, buigen voor je glas, is misschien het mooiste Nederlandse drinkritueel dat er bestaat. Het is ook een van de weinige die niet over werk gaan.
De lange versie gaat hier verder, zonder dat je opnieuw hoeft te beginnen. Nog ongeveer 2 minuten.
Lees verderHet woord borrel
Waar het woord borrel vandaan komt, is niet zeker. Er gaan twee verklaringen rond. De ene leidt het terug op borre, een oud woord voor bron, met een verkleinende uitgang: een klein beetje van iets dat opwelt. De andere houdt het bij borrelen, het geluid van vloeistof die bubbelt. Beide passen. Geen van beide is bewezen.
Wel zeker is dat een borrel lang niet een bijeenkomst betekende maar een glas: een klein glas jenever. Het bitteruur was het uur waarop je een bittertje dronk, jenever met kruiden. Wat erbij kwam, werd later het bittergarnituur: kaasblokjes, worst, en uiteindelijk de bitterbal.
Pas in de twintigste eeuw schoof de betekenis op, van het glas naar het moment en van het moment naar de afspraak. De borrel werd iets wat in de agenda staat, en in veel bedrijven iets op vrijdagmiddag, van vijf tot zeven.
Van kroeg naar kantoor
Er is een ironie in die geschiedenis. De negentiende-eeuwse kroeg was een plek van werk: waar je werd aangenomen, waar je werd betaald, waar de baas zijn geld terugverdiende. De wetgever heeft decennia gewerkt om werk en drank uit elkaar te halen.
Honderd jaar later zitten ze weer samen, alleen nu in de kantine. De vrijdagmiddagborrel is een werkritueel, betaald door de baas, met een bitterbal en een biertje. Niemand wordt er in uitbetaald. Maar wie er nooit komt, merkt dat ook.
Wat de wet niet regelde
De Drankwet kon regelen wie er mocht schenken, en aan wie. Hij kon niet regelen hoe er werd gedronken. De proeflokalen, met hun kleine glazen en hun buiging, bleven. De stamtafel in het bruine café bleef. Het rondje bleef.
Wat verdween, was de tafel waaraan de ploegbaas het loon uittelde, met een fles erbij. Er is geen foto van die tafel in dit verhaal, omdat er geen passende bestaat. Maar wie in een oud café in een Nederlandse stad naar de tap kijkt, staat ongeveer op de plek waar hij stond.


